Het onvolkomen leven

HET ONVOLKOMEN LEVEN

Gerard Bodifee

UCSIA-congres "Zorg om het Beginnend Leven"

Antwerpen, 2 december 2006

 

Het beginnende leven is, zoals het eindigende leven, een zwak leven. De zwakke mens, in welke levensfase ook, heeft bescherming nodig en kan de hulp niet missen van anderen die de kracht en de bereidheid hebben om de zorg op zich te nemen. De hulp die nodig is voor het stervende leven, is anders dan die voor het aankomende leven; van het ene wordt afscheid genomen, het andere wordt tegemoet gezien. Maar in beide gevallen staat het sterke individu ten dienste van het zwakke. De mate waarin deze niet-evidente opgave gerealiseerd wordt, kan als maatstaf gelden voor het humaan gehalte van een samenleving.

Bij alle levensvormen op aarde, ook bij de mens, hebben volwassen individuen een natuurlijke bereidheid om te zorgen voor het jonge, beginnende leven. Dit is een biologisch instinct, onmisbaar voor de instandhouding van de soort. Bij de mens treedt bovendien een omkering van dit patroon op. Niet alleen getroosten ouders zich veel inspanningen voor het welzijn van hun kinderen, in de loop van het leven keert de bezorgdheid om en zorgt de jonge generatie voor de oud geworden ouders. Dat althans is een menselijk ideaal en typeert als zodanig de menselijke soort. In de dierlijke natuur komt dit laatste gedrag niet voor. Bezorgdheid die geen biologisch nut heeft maar gericht is op het welzijn van de geholpene, is het product van een moreel bewustzijn, het besef dat het nodig en terecht is hulp te bieden aan hulpelozen en hoop aan wanhopigen. Waar dat gebeurt, overstijgt de mens zijn dierlijke natuur en creëert hij een humane cultuur.

Om hulp te kunnen verstrekken, moeten adequate middelen en kennis beschikbaar zijn. Maar het bestaan daarvan heeft ook een keerzijde. Kennis brengt verantwoordelijkheden met zich mee of kan een psychische last opleggen die zwaar weegt. Wat het lot van mensen moet verlichten, kan ook als een gewicht op hen drukken.

Ik wil deze beschouwingen over de zorg voor het beginnende leven beginnen met een bespreking van de ambivalente rol die kennis speelt. Wetenschappelijke kennis draagt bij tot een verbetering van de kwaliteit van het leven maar schept ook problemen die menselijk geluk kunnen verstoren. Welke weg volgen in dit labyrint? Daarna zal ik de vraag stellen waarheen deze weg voert. Wat beogen we uiteindelijk met de zorg voor het leven, vooral als die zorg gericht is op het beginnende, het zwakke of het onvolkomen leven?

I

HET GEWICHT VAN HET WETEN

Wetenschap streeft naar "weten". Een van wetenschappelijk denken doordrongen cultuur zoals die van de moderne westerse maatschappij waardeert kennis en is voortdurend gemotiveerd om die uit te breiden. Er is niets dat we niet willen weten. We willen weten hoe het heelal ontstaan is en hoe het zal eindigen, hoe lichaamscellen functioneren en waarom kankercellen ontstaan. We willen weten uit nieuwsgierigheid, maar ook uit bezorgdheid. Zijn we gezond? Kunnen we genezen? Wat is onze levensverwachting? Zullen we gezonde kinderen krijgen? Op elke vraag willen we een zo duidelijk mogelijk antwoord.

Worden we gelukkiger van al dat weten?

De vraag brengt een paradox aan het licht. De drang tot weten wordt zeker mee ingegeven door een verlangen naar geluk, maar veel kennis die we opdoen is eerder van aard om afbreuk aan het geluk te doen. Kennis confronteert ons onvermijdelijk met de onvolkomenheden van het leven en de beperktheid van het eigen bestaan. Wat we weten over het functioneren van het lichaam, leert ons ook veel over de kwetsbaarheid ervan. Het wordt steeds moeilijker onbezorgd te leven, we vrezen de ongunstige diagnose, we zijn ongerust over het verloop van een zwangerschap. Zou het niet beter zijn zoveel mogelijk onwetend te blijven? Vermindert kennis niet het geluk?

Na het paradijs

De ervaring leert dat kennis niet noodzakelijk gelukkig maakt. Het nieuws dat de media dagelijks brengen over alle rampspoed die de wereld teistert, maakt het eigen bestaan niet vrolijker. Ook als we zelf buiten schot blijven, betrekt deze informatie ons bij het gebeuren, en dat alleen al belast ons met een zekere verantwoordelijkheid. Kunnen we onverschillig blijven als de schreeuw om hulp tot in de huiskamer doordringt? De onschuldige gemoedsrust van de onwetendheid bestaat niet meer. Door kennis te hebben van de noden van de wereld, laden we de last van de wereld op onze schouders. Wisten we niets, dan deerde ons niets.

Ik wil hier even herinneren aan een oud en bekend verhaal waarin deze ervaring op een schrijnende manier tot uitdrukking wordt gebracht. In het tweede hoofdstuk van het boek Genesis vernemen we hoe God de mens in het paradijs plaatst en hem voorhoudt dat hij mag genieten van alle vruchten van deze heerlijke tuin, behalve van die van de boom van kennis. De waarschuwing is duidelijk. Als de mens het verbod overtreedt, wordt hij uit het paradijs verdreven en verliest hij zijn geluk.

We weten hoe het verhaal verder gaat. De mens eet toch van de boom van kennis en verneemt onmiddellijk zijn vreselijk lot: voortaan zal de man in het zweet moeten zwoegen voor zijn brood, en de vrouw zal in pijn en smart haar kinderen baren. (Gen. 3:16-19)

Wat kan dit verhaal anders betekenen dan dat de mens het bezit van kennis ervaart als een straf? De onbekende schrijver van het bijbelverhaal getuigt van wat iedereen ondervindt. Wie niets weet, geen begrip heeft van goed en kwaad, onverschillig is voor wat zich in de buitenwereld afspeelt, kent een zorgeloos bestaan. Dat is het paradijs van het tijdperk vòòr er plichten en verantwoordelijkheden, moraal en wetenschap bestonden. Door kennis te nemen van de wereld dringt het beklagenswaardig lot van anderen het bewustzijn binnen. Het leed van vreemden wordt dan deel van het eigen leven. Wie geïnformeerd is, weet wat nodig is. Wie de ogen sluit en de rest van de wereld aan zijn lot overlaat, hoort nog altijd wat zijn geweten hem verwijt.

Is kennis dan een vloek?

Als die conclusie onontkoombaar lijkt, dan strookt ze in elk geval niet met de waardering die kennis en wetenschap in onze beschaving genieten. Het verlies aan comfort en "paradijsgeluk" weegt klaarblijkelijk niet op tegen het besef dat kennis een goed is, precies omdat ze ons in staat stelt goed te doen. De behoeften van de wereld zijn immers reëel en ze blijven even reëel (of nemen toe) als we ons ervoor afsluiten. Dan is het beter ze onder ogen te zien, zo luidt de redenering. Alleen door op de hoogte te zijn van wat mis is, kan gecorrigeerd worden wat mis is.

Kennis is een noodzakelijke voorwaarde voor het verbeteren van deze erg verbeterbare wereld. Alleen met kennis van zaken is het mogelijk voedsel te produceren, zieken te genezen, en te doen wat nodig is voor een menswaardig bestaan. Daarom verraadt de dorst naar kennis een nobel aspect van de menselijke natuur. Ongetwijfeld zijn de drijfveren van het wetenschappelijk onderzoek complex en spelen andere factoren mee, maar de intentie om het lot van de mensheid te verbeteren stuurt zeker mee het proces van verwerving en verspreiding van kennis.

Een verdere ontwikkeling van het humane leven is niet mogelijk zonder groei van kennis en wetenschap. Kennis maakt niet noodzakelijk gelukkig, maar helpt wel om enig ongeluk uit de wereld te nemen.

Verontrustende vragen

Als kennis een goed is, zoals in een humane samenleving wordt aangenomen, blijft het toch een problematisch goed. Dat wetenschappelijke kennis niet noodzakelijk alleen maar humane doelen dient maar ook gebruikt wordt voor destructieve activiteiten, hoef ik hier niet uiteen te zetten. Er stellen zich nog andere problemen. Ook waar wetenschap toegepast wordt met het oog op het menselijk welzijn, kan zij dat welzijn eerder aantasten dan bevorderen. Kennis kan emotioneel belastend zijn. Kennis kan beangstigen. Kennis legt verantwoordelijkheden op, soms ondraaglijke. Kennis kan beschuldigen. De problemen stellen zich voor de mensheid collectief en voor het individu in zijn persoonlijk leven.

Collectief wordt de mens geconfronteerd met steeds prangender ethische vragen, opgeroepen door de ontwikkeling van medische technieken. Naast veel hoop bieden de nieuwe middelen ook verontrustende perspectieven. De mogelijkheid van het reproductief klonen van mensen is voor velen een huiveringwekkend denkbeeld. De aanmaak van stamcellen uit al dan niet daarvoor gekweekte menselijke embryo's is voor sommigen een verwerpelijke, voor anderen een hoopgevende praktijk. De mogelijkheid het menselijk genoom te veranderen schrikt af. En wat gebeurt er als genetische tests de ongelijke aanleg voor ziekten genadeloos aan het licht brengen? Houdt de sociale solidariteit dan stand?

Er bestaan geen voor de hand liggende antwoorden op zoveel ongerustheid. Alleen een geleidelijk proces van groeiend normbesef en behoedzame wetgeving kan verhinderen dat grote morele en psychische schade wordt aangericht. Hoe dat proces gestuurd moet worden, is zelf een onbeantwoord maatschappelijk vraagstuk.

Hoe scherp deze veelomvattende vragen zich ook stellen, zolang ze de mensheid collectief aanspreken, behouden ze een haast abstract karakter. Concreter en pijnlijker zijn de problemen waarvoor mensen zich persoonlijk geplaatst zien. De problemen worden dan gevoelsmatig beleefd en moeten individueel verwerkt worden. Zo kan de beschikbaarheid van diagnostische technieken voor het vroegtijdig opsporen van congenitale afwijkingen van de foetus de aanstaande moeder voor verscheurende keuzen plaatsen. Zelfs zonder ongunstig resultaat, zelfs vòòr enige handeling wordt verricht, kan het loutere bestaan van deze tests de psychische verwerking van de zwangerschap door de moeder zwaar belasten. Wat een "blijde verwachting" zou moeten zijn, wordt een verwerkingsproces van angstige emoties. Het hoeft niet te verbazen dat sommige zwangere vrouwen het niet-weten verkiezen boven het weten.

Twee vrouwen

Laat ons deze concrete problematiek met een concreet geval illustreren. Het Britse opinieblad The Tablet bracht onlangs (22 juli 2006) het getuigenis van twee vrouwen, zusters van elkaar, allebei katholiek, over hun zwangerschappen. De eerste, Rachel, moeder van twee jongens en op haar 35e opnieuw zwanger, had altijd geweigerd prenatale tests te ondergaan. Ze wist dat ze nooit zou overwegen haar kind te aborteren en oordeelde dus dat het geen zin had deze tests uit te voeren. Wel wilde ze als derde kind graag een meisje en daarover wou ze zo snel mogelijk zekerheid. Een test om het geslacht te bepalen stond ze daarom wel toe. Wegens haar relatief gevorderde leeftijd drongen de dokters echter aan op een quad-test, een screening om het risico op onder meer een Downsyndroom te bepalen.

De test werd uitgevoerd. Het resultaat was niet geruststellend. De kans bedroeg 1 op 120, dat is hoger dan het gemiddelde op die leeftijd van de moeder. Toch maakte Rachel zich niet veel zorgen; het risico bleef tenslotte kleiner dan één procent. Omdat ze de baby in geen geval in gevaar wilde brengen, wees ze een vruchtwaterpunctie af. Een echografie wilde ze wel, omdat die het geslacht van het kind zou kunnen leren. Dan kwam de ontgoocheling. Een meisje zou het niet worden. En er kwam ook verontrustend nieuws. Na bijkomende controles werd de kans op een Downsyndroom verhoogd naar 1 op 10. In plotse grote ongerustheid vroeg Rachel nu toch om een vruchtwaterpunctie. Op dat moment was ze vier maanden zwanger. Doordat bij dit onderzoek het DNA van de foetus rechtstreeks onderzocht wordt, kan zekerheid gegeven worden. De tien dagen na de test waarin ze op de definitieve resultaten moest wachten, beleefde ze als een hel. Met haar man besprak ze het mogelijke vooruitzicht van een mongools kind. Haar geloof werd op de proef gesteld. Wat bleef over van haar vaste voornemen om nooit een abortus te overwegen? Maar zou ze kunnen leven met een gehandicapt kind dat ze niet wilde?

Toen het resultaat van de test kwam, viel elke twijfel weg: positief voor trisomie 21. Rachel bekende later niet te weten met welke energie ze de zwangerschap heeft voortgezet. Het was niet door de kracht van haar geloof, gaf ze toe, maar eerder door een vaag aanvoelen dat ook een kind met het Downsyndroom een gelukkig leven kan hebben. De maanden die volgden waren een periode van verdriet en van aanpassing. Ze bracht de tijd zoveel mogelijk in afzondering door om met niemand over haar zwangerschap te moeten spreken.

Geleidelijk aan begon ze echter uit te kijken naar een ontmoeting met "hem". Nog voor de geboorte gaf ze het kind een naam, zodat hij meer een persoon werd en niet alleen maar een diagnose. Het was een opluchting toen hij geboren werd. Hij was welkom en Rachel hoopte dat ook de wereld hem zou verwelkomen.

Tot zover het eerste verhaal. Het tweede betreft Rachels zus, Victoria. Zij herinnert zich hoe verontwaardigd ze was tijdens haar eerste zwangerschap enkele jaren geleden, toen ze vernam dat ze zonder het te beseffen een echoscopische nekplooimeting had ondergaan. Het resultaat van de test was een kans van niet meer dan 1 op 3000 op Downsyndroom, en dat maakte haar boos. Het was weliswaar een gunstige uitslag, maar er bleek niettemin een risico te bestaan, en dat wou ze eenvoudig niet weten.

Zes jaar later is ze opnieuw in verwachting en koos ze ervoor om geen enkele test te laten uitvoeren. Ze is op dat ogenblik meer dan 35 en weet dat er een verhoogd risico voor Downsyndroom bestaat. Desondanks weigert ze de tests. Haar houding is gebaseerd op de opvatting dat het leven begint in de moederschoot en dat ze een abortus in geen geval zal toestaan. Niets is erger dan de gedachte dat het leven van de baby nog voor de geboorte beëindigd zou worden, zelfs als vastgesteld zou worden dat het een lichamelijk gebrek heeft.

Ook een nekplooimeting die onschadelijk is en belangrijke aanwijzingen kan geven, weigert ze op grond van de redenering dat het resultaat berekend wordt op basis van de leeftijd van de moeder, de grootte van de foetus en de nekplooimeting zelf. Dat betekent dat de cijfers altijd ongunstig zullen uitvallen omdat ze boven de 35 is. Dan zou ze ofwel zeven maanden met deze onzekerheid moeten leven, ofwel een vruchtwaterpunctie moeten laten uitvoeren met een risico van één procent op een miskraam. Een vlokkentest houdt een nog groter risico in.

Victoria kloeg het feit aan dat in Groot-Brittannië in 2005 volgens het Ministerie van Gezondheid ruim 180.000 abortussen werden uitgevoerd. Meer dan vierhonderd babies werden geaborteerd wegens het Downsyndroom. Wat is er zo vreselijk aan deze aandoening, vroeg ze zich af, dat deze mensen massaal geëlimineerd moeten worden? Veel kinderen met mongolisme brengen warmte en geluk in het gezin en leiden een waardevol bestaan.

Victoria hield consequent vol en liet tijdens haar zwangerschap geen tests uitvoeren.

Tot zover het artikel in The Tablet. Op het ogenblik van de publicatie van haar getuigenis, was haar kind nog niet geboren.

Kennis bedreigt en beschermt

Uit beide verhalen spreken twee grote bezorgdheden.

De eerste is van alle tijden, ongetwijfeld de oudste zorg die de mensheid (en van alles wat leeft op aarde) kent: de zorg van de moeder voor haar kind. Beide moeders willen hun kind behouden, in welke toestand ook, gezond of gehandicapt.

De tweede bezorgdheid is juist om deze bereidheid het kind te aanvaarden, niet te verliezen. Beide vrouwen willen hun kind in elk geval behouden, ook als het gehandicapt zou zijn, maar ze vragen zich bang af of die wil zal standhouden als het kind prenataal onderzocht wordt en de mogelijkheid bestaat het, bij een ongunstig resultaat, te laten wegnemen. De tests vormen een bedreiging. De wil om het kind te behouden is sterk, maar misschien niet opgewassen tegen de druk van de samenleving. Liever willen ze niets weten, zodat het moederinstinct niet op de proef gesteld wordt. Dan komt het kind, hoe dan ook, en dat is wat ze willen.

De realiteit van de prenatale tests doorkruist deze natuurlijke gang van zaken. Beide vrouwen reageren daarom afwijzend, maar toch ook anders. Rachel laat zich overtuigen onder invloed van de angst die opkomt na een eerste ongunstige aanwijzing. Het proces dat zou kunnen leiden naar een abortus is daarmee ingezet en de strijd met zichzelf vangt aan. Dit is de "hel" waar ze door moet. Uiteindelijk komt ze opnieuw tot aanvaarding van haar kind, het jongetje zoals het is, met de handicap. Victoria neemt een strakker standpunt in, een radicalisering die ongetwijfeld het gevolg is van de ongewilde test bij een vorige zwangerschap. Zo vermijdt ze de kans de strijd te moeten voeren die Rachel zo zwaar viel. Ze aanvaardt haar kind hoe dan ook, althans in deze prenatale fase die haar nog in het ongewisse laat over de toestand van haar kind.

Kennis bedreigt de mens in zijn zwakheid, maar beschermt hem ook tegen zijn zwakheid, zo leert het verhaal van Rachel. Het feit dat ze vòòr de geboorte op de hoogte was van de handicap van haar kind, gaf haar tijd om de schok te verwerken. Daardoor had ze bij de geboorte de kracht om te doen wat ze nooit anders had gewild, haar kind te aanvaarden zoals het is, een kracht die ze wellicht niet had gehad indien ze de schok op het moment van de geboorte had moeten ondergaan.

Kennis bedreigt en beschermt, maar zij is onmisbaar om het zwakke, onvolgroeide of onvolkomen leven te beschermen. Door kennis neemt de mens zijn lot in handen en overwint hij primaire instincten van angst of afkeer. Kennis doet zien; zij verzet zich zowel tegen een fatalistische overgave aan blinde natuurprocessen als tegen een blind vertrouwen in de goede afloop. Door kennis neemt de mens het initiatief in handen.

II

HET DOEL VAN HET HANDELEN

Waarheen leidt het menselijk initiatief? Waarop is het menselijk handelen, in het bijzonder het medische handelen, gericht?

In zijn drang om het beginnende leven, kansen voor ontplooiing en ontwikkeling te bieden, gedraagt de mens zich, zoals gezegd, niet anders dan andere diersoorten op aarde. Karakteristiek voor de mens en uniek in de biosfeer is wel de zorg voor het oudere en het geschonden leven. Maar aan wie de zorgen ook worden verstrekt, aan jong of oud, ziek of gezond, geboren of ongeboren, altijd staat daarbij een ideaal voor ogen: de gezondheid, gaafheid en schoonheid van het lichaam, de begaafdheid om te slagen in het leven, een voldoende lange duur van het leven, enzovoort. Iedereen koestert deze idealen, ook al ontkomt niemand aan de ontnuchterende vaststelling van de eigen tekorten en tegenspoed. Kinderen belichamen altijd de hoop dat nog goed kan komen wat voor niemand ooit helemaal goed was. Het streven en hopen gaat eindeloos door en stuwt de ontwikkeling van de gezondheidszorg, milieuzorg, onderwijs, sociale zekerheid en andere realisaties die het lot van deze en volgende generaties moeten verbeteren.

Maar het gevaar bestaat dat een samenleving die gelooft in de haalbaarheid van wat zij zich voorstelt en die rekent op het uiteindelijke succes van wat zij onderneemt, zich laat verblinden door een ideaal dat louter fictie is. Want niemand is volmaakt gezond. Niemand is vrij van gebreken. Haast niemand is geniaal. Indien de gebreken van een kind al niet voor de geboorte aan het licht komen, blijkt later wel welke capaciteiten het maar in beperkte mate bezit en met welke tekorten het zal moeten leven.

Elk leven is een onvolkomen leven, kwetsbaar, beperkt in wat het kan, begrensd in wat het is. Hoe ver de grenzen van wat realiseerbaar is door de wetenschap ook opschuiven, ze blijven bestaan. Daarom is het van wezenlijk belang dat de zorg om een gezond en geslaagd leven, gepaard gaat met een aanvaarding van de begrenzingen en onvolkomenheden van het leven.

Spanning

Het is juist en noodzakelijk om te streven naar een verbetering van het menselijk bestaan; niet minder juist en noodzakelijk is het te aanvaarden dat het ideaal waarnaar gestreefd wordt niet bestaat. In die spanning tussen macht en onmacht ligt de dynamiek van het groeiende leven. Hieruit groeit de dubbele wijsheid die de noodzaak kent van het rusteloze streven en de noodzaak van het berustend aanvaarden. Het haalbare en het onvermijdelijke bepalen wat binnen en buiten het streefgebied valt.

In die aloude dubbele wijsheid ligt ook de motivatie van vrijwel heel de medische praktijk: inzet voor de vermindering van het lijden, aanvaarding van het onvermijdelijke leed.

Voor de prenatale diagnostiek geldt hetzelfde principe. Waar deze gebruikt wordt om een illusoire levenskwaliteit te eisen of risico's te weigeren die inherent zijn aan het leven, houdt zij in wezen een afwijzing in van het leven zelf. Waar deze techniek echter een vermindering van vermijdbaar leed mogelijk maakt, draagt zij bij tot de ontwikkeling van het humane leven.

Oude en eeuwige vragen komen daarbij op. Wat is de zin van het leven, en meer bepaald van dit onvolkomen leven? Wat is de zin van het lijden? Welk lijden is aanvaardbaar, welk niet? In hoeverre is het geoorloofd dat de mens zijn bestaan in eigen handen neemt? Ultiem rijst de vraag of het soms beter is niet te bestaan dan te bestaan.

In het licht van de hedendaagse mogelijkheden om actief in te grijpen in organische processen roepen deze vragen andere, meer concrete vragen op. Mag alles gedaan worden wat technisch uitvoerbaar is ter vermindering van het lijden of verhoging van de levenskwaliteit? Is het zinvol bepaalde levensprocessen, zoals de "traditionele" manier van voortplanting langs seksuele weg, te vervangen door andere methoden, of heeft de natuurlijke gang van zaken een onvervangbare intrinsieke waarde? De vraag die in de abortus- en stamcellen-problematiek centraal staat: wat is de waarde van een menselijk embryo? In welke mate hangt dit af van het stadium van zijn ontwikkeling? Heeft een blastocyt, een klontje van enkele tientallen nog ongedifferentieerde cellen, de waarde van een menselijk leven? Verdient een foetus het statuut van persoon? Zo nee, waarom dan enkele maanden later wel?

Een oude erfenis

Waakzaamheid is geboden bij het geven van antwoorden op deze vragen. Waar ligt de diepere oorsprong van de standpunten die we innemen? Waardoor worden de antwoorden ingegeven? De mens draagt zijn biologisch verleden met zich mee. Het gevaar bestaat dat oude reflexen en instincten, eerder dan humane bekommernissen, de houding met betrekking tot cruciale levensvragen bepalen. Met tragische duidelijkheid leert de geschiedenis dat de mens zijn oude roofdierennatuur niet verloren heeft. Agressie, machtswellust, drang tot overheersing zijn instincten waarmee de natuur onze soort succesvol maakt in de strijd voor de overleving. In de eeuwige rivaliteit tussen de soorten en tussen de individuen binnen een soort, heeft de sterkste, de handigste, de sluwste de meeste kans om nakomelingen te krijgen en zijn superieure genen door te geven. Wie zwak is, ziekelijk of onaangepast, verdwijnt van het toneel.

Deze darwiniaanse strijd is nooit stilgelegd. Ook niet binnen de menselijke soort. Niemand kan ontkennen dat de gezonde, intelligente, bekwame burger over meer troeven beschikt voor een geslaagd leven dan zijn minder begunstigde medemens. Maar al in prehistorische tijden is op dit natuurlijke "recht van de sterkste" een reactie gekomen. Met zijn uitgebreider bewustzijn, dat hem in staat stelde tot empathie en verantwoordelijkheidsbesef, gaf de mens zich rekenschap van het lot van de medemens, ook de afgekeurde, uitgeschakelde medemens. Dit leidde tot een altruïstische inzet om het welzijn van de kanslozen, een gedrag dat ongekend is bij de dieren. Zo kwamen in de mens ook denkbeelden op als mildheid en solidariteit, die in de natuur nooit bestaan hebben en die richtingbepalend werden voor de ontwikkeling van onze soort.

Wat we humaniteit en moraliteit noemen, of in het algemeen "cultuur", is deze reactie op het oude, gevestigde biologisch gedrag. Onder deze nieuwe bovenlaag van het leven, strekt zich ondertussen nog altijd het dierlijke substraat uit, waarin het menselijk bestaan zijn wortels heeft. Het nieuwe gedrag installeert zich moeizaam, nog wankel en onzeker, het oude blijft ondergronds wroeten. Geconfronteerd met de kleine en grote vragen van het leven, kan de mens zich door de oude dierlijke reacties laten sturen, of hij kan zich richten op de idealen die vanuit het morele bewustzijn opkomen.

Hier wil ik opmerken dat ik mij niet van de indruk kan ontdoen dat de wetgevingen in verband met de abortus, die in de meeste Europese landen de jongste decennia van kracht werden, en vooral in België waar de wet één van de minst restrictieve ter wereld is, berusten op een toepassing van het oude recht van de sterkste. Alvast de verdeling van ongeboren kinderen in gewenste en ongewenste, roept nare beelden op van selectie en willekeur. Dat de volwassene dan louter op grond van eigen voorkeur beslist over voortzetting of beëindiging van het leven van het ongeboren kind, is een radicale uitoefening van zijn macht over het weerloze leven. In België werden vorig jaar meer dan 17.000 abortussen uitgevoerd. De noodsituatie waarin de moeder volgens de Belgische wet moet verkeren vòòr de twaalfde week van de zwangerschap, blijkt in de praktijk meestal alleen maar een ontbreken van een kinderwens te zijn.

Hoe kwam de Europese samenleving, die zo graag pronkt met haar verlichte en humanistische principes, tot deze bedenkelijke praktijk? Zijn we zo zelfingenomen dat we blind geworden zijn voor het nooit geweken gevaar dat uitgaat van macht en zelfzucht? Bij alle keuzen die we moeten maken wanneer beslissingen genomen worden over leven en dood, dient de vraag gesteld of we ons niet laten leiden door pre-humane reflexen, gedragingen uit het dierlijk verleden, gericht op zelfbehoud en eigenbelang, eerder dan door bekommernis om het welzijn van mensen. Primeert niet het recht van de sterksten op dat van de zwakken? Misgunnen we de benadeelde medemens niet het recht op leven?

Nieuwe vragen, oude bronnen

Veel van de vragen waarvoor we ons de dag van vandaag geplaatst zien, zijn nieuw. Nooit eerder moest zo nadrukkelijk nagedacht worden over de waarde van het leven in alle fasen van zijn ontwikkeling, als in deze tijd. Nooit eerder was het nodig zo bewust af te wegen of we de onvolkomenheden van het leven aanvaarden, of het leven zelf omwille van "ondraaglijk leed" of "ongeneeslijke kwaal" afwijzen. Nooit eerder beschikten we over middelen die zo ingrijpend op het leven inwerken zonder dat een maatschappelijke consensus bestaat over de vraag in welke omstandigheden deze ingrepen toe te passen.

Maar het feit dat de mens voor nieuwe vragen staat, is zelf niet nieuw. Ooit was een samenleving zonder slaven ondenkbaar en moest de vraag beantwoord worden of een economie zonder dwangarbeid kan functioneren. Ooit was het denkbeeld van rechtvaardigheid als normatief principe volstrekt nieuw. Ooit moest begonnen worden te denken aan democratie, emancipatie en mensenrechten.

Daarom mag de nieuwheid van de huidige vragen niet de illusie geven dat we volledig onbewandelde paden moeten verkennen. Integendeel, op een ogenblik als dit, is het belangrijk aansluiting te zoeken met oude, bestaande wijsheid en terug te keren naar de bronnen waaruit eerder al ethische inzichten voortvloeiden. Die oude bronnen kunnen wellicht op de vragen van nu antwoorden geven die in de lijn liggen van eeuwen van humane ontwikkeling.

Welke zijn (in het westen) de bronnen van de ethiek? Vooreerst is het belangrijk er op te wijzen dat de wetenschap geen bron van ethiek kan zijn. Ethiek berust op het maken van een onderscheid tussen goed en kwaad, maar de wetenschap kent de categorieën goed en kwaad niet. Zij observeert verschijnselen en brengt ze onder in een theoretisch model van de werkelijkheid, zonder daar appreciaties van goed of kwaad, mooi of lelijk, gewenst of ongewenst aan te verbinden. De wetenschappelijke beschrijving van de werkelijkheid is (in principe) objectief, dat wil zeggen, onafhankelijk van de subjectieve appreciaties van de waarnemer.

Nog een reden waarom de wetenschap niet in aanmerking komt als gedachtengoed waaruit een ethiek gewonnen kan worden, is dat zij de werkelijkheid uitsluitend vanuit oorzaken verklaart. Niet vanuit doelen. Ethiek is echter doelgericht. In de fysica, en zelfs in de biologie, treedt het begrip "wil" als sturend principe niet op. Van een vallende steen wordt niet gezegd dat hij wil vallen, maar wel dat de zwaartekracht de oorzaak van het vallen is. De bioloog verklaart de gedragingen van een levend wezen vanuit de moleculaire mechanismen die de bewegingen veroorzaken. Geen wetenschapper gaat op zoek naar diepere "bedoelingen". Maar een mens heeft diepere bedoelingen. De ethische mens wilhet goede doen. Hij laat zich door intenties leiden, niet slechts door oorzaken. Daarom kunnen ethische principes niet voortvloeien uit de wetenschappelijke voorstelling van de werkelijkheid. Een andere gedachtenstelsel is nodig.

Ik bespreek hier kort drie klassieke ethische systemen en de inspiraties die ervan uitgaan voor de hedendaagse bio-ethische problemen. Alle drie blijven ze relevant. Alle drie geven ze het menselijk leven die specifieke oriëntatie waarin het zich ontwikkelt tot humaniteit.

Regels om naar te handelen

In de Ethika Nicomacheia, die dateert uit de vierde eeuw v.C., beschrijft Aristoteles hoe alles wat bestaat naar een goed streeft. Voor de mens is het geluk het hoogste goed. Alles wat het geluk bevordert is goed. Het geluk noemt Aristoteles die toestand waarin een mens erin slaagt zichzelf te zijn door zijn driften te beheersen en volgens de rede te leven, want de rede typeert de mens. Men bereikt deze toestand van geluk door de deugden te beoefenen. De belangrijkste deugd is het zogenaamde "verstandige oordeel" (phronèsis), het juiste inzicht in wat in de heersende omstandigheden gedaan moet worden. Deze "phronèsis" is een inzicht met het oog op de toekomst, en moet het leven in de richting van het goede, dat wil dus zeggen, naar het geluk sturen. Er zijn andere deugden, zoals de moed en de rechtvaardigheid, maar vooral aan de deugd van de matigheid hecht Aristoteles nog veel belang. Zijn ethiek is niet die van de buitengewone helfdhaftigheid, maar van het beheerste, geslaagde leven. Wij zouden zeggen: de deugd ligt altijd ergens "in het midden". Heel deze ethiek is gericht op haalbaarheid. Het verlangen naar onbereikbare idealen is overmoed. Een absoluut moreel ideaal bestaat niet volgens Aristoteles: de waarheid in morele zaken is altijd particulier. Daarom zijn het niet de wetten, maar de deugden die het handelen van de mens moeten sturen.

Eénentwintig eeuwen later leverde Immanuel Kant kritiek op deze ethiek van geluk door deugdzaamheid. Streven naar geluk leidt volgens Kant niet tot een moreel leven omdat het leven hierdoor afhankelijk gesteld wordt van behoeften en begeerten. Kant presenteerde een ethiek van een andere aard, niet gericht op het bereiken van geluk maar op de vrijheid en autonomie van het individu. Het zoeken naar geluk ontneemt de mens zijn onafhankelijkheid. Kant legt de nadruk op de plicht. De mens hoort zijn plicht te doen, ook wanneer dit niet voldoet aan zijn verlangen naar geluk.

De plicht is geen doel op zichzelf maar in plichtsbesef komt de eerbied voor de morele wet tot uiting. Wie leeft volgens deze wet, leeft volgens de regels van de rede. Er zijn voorwaardelijke regels, die afhangen van de omstandigheden, zoals de regel dat iemand die een goed pianist wil worden veel moet oefenen. Er bestaat één onvoorwaardelijke regel die voor iedereen geldt. Dit is het zogenaamde categorische imperatief. De gehoorzaamheid daaraan kenmerkt het morele handelen. Het categorisch imperatief luidt: "gij zult alleen handelen volgens die regels waarvan ge kunt willen dat ze een algemene wet worden". Wie geld nodig heeft, mag niet stelen. Een geleend boek moet men teruggeven. Enzovoort. Met deze formulering van het categorisch imperatief is echter nog niets gezegd over wat het doel is van het morele handelen. Volgens Kant kan er maar één doel bestaan dat absoluut en algemeen geldig is. Het is de mens zelf, want alleen de mens is het subject waarop de morele wet van toepassing is. Op die manier komt hij tot een tweede, concreter formulering van het categorische imperatief: "Gij zult steeds zo handelen dat gij de mensheid zowel in uw eigen persoon als in ieder ander persoon nooit louter als middel gebruikt, maar altijd als doel in zichzelf".

Elke menselijke persoon wordt daarmee verheven tot doel van het morele handelen. Een mens kan eventueel een middel zijn om een doel te bereiken, maar nooit alleen maar een middel. De mens is de enige absolute waarde in het universum en daardoor uiteindelijk het enige doel.

Een radicaal voorstel

Naast de deugdenethiek van Aristoteles en de plichtenethiek van Kant, is er een derde weg. De christelijke ethiek, zoals uiteengezet door Jezus van Nazareth in zijn Bergrede, is een ethiek van de liefde. De mens krijgt als opdracht de medemens lief te hebben. De liefde tot God, die het enige waarachtige doel is van het menselijk leven, komt tot uitdrukking in de liefde voor de medemens.

Deze opgave berust niet op een theoretische argumentatie of rationele overwegingen, maar wordt eenvoudig geponeerd. Twee kenmerken van deze ethiek vallen in het bijzonder op. Vooreerst haar eenvoud. De voorgehouden gedragsregel maakt geen deel uit van een complexer stelsel van waarheden, en er hoeft geen enkele intellectuele inspanning geleverd te worden om te begrijpen wat bedoeld wordt. Daarnaast wordt deze ethiek gekenmerkt door haar ongehoorde radicaliteit. Christus vraagt niet alleen de medemens lief te hebben met wie men graag op goede voet leeft, maar ook degenen die de liefde niet met liefde beantwoordt. "Bemin ook uw vijand", luidt de opdracht. Christus roept ook op tot totale weerloosheid: "Laat u op de andere wang slaan, als men u op de ene wang geslagen heeft." De boodschap is die van een totale en onvoorwaardelijke goedheid, het kwaad mag niet met kwaad vergolden worden, maar moet vergeven worden.

In deze radicale en onvoorwaardelijke vorm is deze ethiek praktisch onuitvoerbaar. In de Bergrede wordt dan ook niet een maatschappelijk programma gepresenteerd, en zelfs niet een ethiek in de gebruikelijke betekenis van het woord, maar wat men een "trans-ethiek" zou kunnen noemen. Zij reikt voorbij de gangbare ethische principes van matigheid, rechtvaardigheid en plichtsbesef, en richt zich op het einddoel van de volmaaktheid. "Wees volmaakt", houdt Jezus zijn leerlingen voor.

Door het begrip liefde centraal te stellen, als drijfkracht van het ethische handelen, eerder dan de deugd of de plicht, breekt deze transethiek met het klassieke ethische denken (van vòòr en van na Christus), en staat zij haaks op de oude biologische wetten. De vijand beminnen is het omgekeerde van wat de natuur alle levende wezens ingeprent heeft. In de natuur is het van levensbelang om vijanden die een bedreiging vormen, te bestrijden en te verslaan. Niet te "beminnen". De Bergrede met zijn pleidooien voor mededogen, vergiffenis en liefde is een oproep om te breken met de oude wetten die het leven van de jungle regeren.

Vernieuwend

Aristoteles, Christus, Kant hebben - in die historische volgorde - de westerse cultuur geïnspireerd en beïnvloed. Hoe vandaag handelen in het licht van deze wijze adviezen?

Het is waar dat de ethiek van het christendom onrealistisch hoog grijpt, maar juist daardoor geeft zij het uiteindelijke doel waarop alles gericht is, duidelijk aan: de liefde als weg naar het volkomen goede leven. Het christendom is een religie, geen maatschappijleer, dit betekent dat het spreekt over absolute waarden en een ultieme bestemming, niet over haalbare doelstellingen. Aristoteles en Kant geven bruikbare aanwijzingen. Het menselijk geluk is het doel van het menselijk handelen, zegt Aristoteles. De mens zelf is het doel, vult Kant aan, het geluk als doel volstaat niet.

Ondanks een streefdoel dat in de ogen van Kant te laag gekozen is, verheft zelfs de ethiek van Aristoteles de mens al manifest boven het dier, d.w.z. boven zijn loutere lichamelijkheid. Door de controle te verwerven over fysieke begeerten en driften, kan de mens zich door zijn rede laten leiden en dat brengt hem tot het geluk, het doel van zijn bestaan. Kant gaat echter verder. Door de mens zelf tot doel te verklaren, stelt hij een daad van ongekend revolutionair formaat. Nooit eerder behandelde de natuur de levende wezens die ze voortbracht, als doelen op zichzelf. Integendeel, vaak fungeren ze louter als middel. Elk organisme functioneert binnen een ecologisch netwerk waarin het zijn rol speelt en waaraan het onderworpen is. Elke plant, dier of mens, wordt gebruikt als onderkomen of als voedingsbron door parasieten en roofdieren. Kant plaatst de mens buiten deze natuurlijke orde door te stellen dat hij nooit alleen middel kan zijn, maar altijd doel is.

Hoe vernieuwend deze ethiek is, blijkt uit de verregaande mate waarin zij losstaat van de voorstellingen die zich houden aan de gegevens van de wetenschap. In de achttiende eeuw, de eeuw van Kant, maakte de newtoniaanse wetenschap veel opgang, hetgeen resulteerde in een mechanistisch wereldbeeld: de natuur als blind wetmatig functionerende machine. In de ogen van veel tijdgenoten ontsnapten mens en dier niet aan het algemeen beeld. Ook de levende wezens werden voorgesteld als louter mechanische systemen, zonder meer intrinsieke waarde dan elk ander onderdeel van de machine. Gelijkaardige ontluisterende mensbeelden worden nog altijd verkondigd. Welbekend is de theorie van de zelfzuchtige genen van Richard Dawkins. Volgens deze Britse evolutie-bioloog zijn alle organismen, de mens niet uitgezonderd, slechts fysische systemen die door hun genen gebruikt worden voor de eigen voortplanting en verspreiding. Het menselijk lichaam is het middel dat de genen gebruiken om zichzelf te vermenigvuldigen.

Kant (die nochtans een groot bewonderaar was van de newtoniaanse mechanica) verwierp dergelijke reductionistische voorstellingen die het menselijk leven tot een louter willoos, en dus doelloos, proces herleiden. Hij stelt dat het menselijk bestaan op een doel gericht is, en legt het doel in de mens zelf.

Deze ethiek is niet in strijd met een christelijke visie die het doel van het bestaan in God legt, niet in het aardse bestaan en dus ook niet in het menselijke bestaan. De weg naar God is echter geen andere dan die van de liefde voor de medemens. Wie zijn naaste liefheeft, heeft God lief, leert Jezus. Een ander gebod dan de liefde is er niet.

De weg

Nog nooit zo sterk als vandaag heeft de mensheid de behoefte gevoeld aan relevante ethische principes. Geconfronteerd met de onthutsende vragen, opgeworpen door de hedendaagse medische wetenschap, kunnen alleen heldere, universele principes de weg wijzen. Er zijn dan geen andere gidsen dan de oude leermeesters met hun tijdloze waarheden.

Aristoteles leert dat het verkeerd is beslissingen te nemen die als effect hebben dat ze het geluk aantasten van wie nu leeft of later zal leven. Maar wat is geluk? Geluk is niet meetbaar, het is niet eens definieerbaar. Hoe dan Aristoteles volgen?

Ik herinner me een goede vriend van me; hij is ondertussen overleden. Hij was gehandicapt en kon zich slechts in een rolstoel verplaatsen. Op een dag vertrouwde hij me toe: moest ik vandaag in deze toestand geboren worden, dan zou ik waarschijnlijk niet geboren zijn. Ik zou afgekeurd zijn en niet hebben mogen leven. Men zou mij geaborteerd hebben. Nu ben ik oud en ik heb een moeilijk leven gehad, met veel pijn en verdriet, maar ik ben blij dat ik dit leven heb mogen leven. Ik ben een gelukkig man.

Geluk duikt op waar het niet verwacht wordt. Als geluk het doel was geweest, zou mijn vriend het wellicht nooit gekend hebben. Kant heeft begrepen dat de mens zelf, en niet slechts het geluk van de mens, het doel moet zijn.

Dat geldt ook voor het beginnende leven. Dat betekent dat het ongeboren kind niet "gewenst" of "ongewenst" verklaard kan worden, om al naargelang aanvaard of niet aanvaard te worden. Het is er, het kondigt zich aan, en het vraagt het leven aan te mogen vatten dat al begonnen is. Dan moet ook elke diagnostische of therapeutische handeling die op het jonge leven toegepast wordt, dit leven zelf als doel hebben.

De motivatie voor deze houding hoeft geen streng plichtsbesef te zijn, zij kan gelegen zijn in niets anders dan de liefde van mens tot mens. Waar menselijke liefde regeert, schakelt zij het oude tirannieke recht van de sterkste uit. Iedereen geeft zij een kans op bestaan en op geluk. Alleen uit liefde kunnen we leren het leven te aanvaarden met zijn onvolkomenheden, en toch te streven naar een leven met minder onvolkomenheden.

 

Dit is de tekst van een lezing gehouden op het congres 'Zorg om het beginnende leven', georganiseerd door het Universitair Centrum Sint-Ignatius Antwerpen op 2 december 2006, en gepubliceerd in The Dialogue Series, 9.