Het onrecht van het recht op zelfbeschikking

Zelfbeschikking is het toverwoord waarmee in dit land de ethische problemen opgelost worden. Wie anders dan ikzelf beslist over wat ik met mijn leven doe, of ik het voort wil zetten of er een eind aan maak? Wie anders dan de vrouw die het kind draagt, beslist of het geboren mag worden? Over wat ik doe met mijn lichaam beslis ik zelf. Ik bepaal. Ik beschik. Het ‘ik’ is de enige instantie die bevoegd geacht mag worden om over zichzelf te oordelen.

Dat is de heersende opvatting. Zelfbeschikking wordt verheven tot een fundamenteel recht, de vrijheid en de autonomie van het individu. Het recht op zelfbeschikking wordt het doorslaggevend argument in elke discussie over ethische problemen. In een samenleving waaruit elke religieuze verwijzing naar een transcendente werkelijkheid verbannen is, vindt het individu de bestemming van zijn bestaan alleen in zichzelf. Het ‘ik’ neemt dan de plaats in die het logisch toekomt: centraal in het eigen leven.

In hoeverre stemt dit radicale egocentrisme overeen met een objectieve waarheid? Is het menselijke individu in werkelijkheid het vrije wezen dat soeverein over het eigen lot beslist? Men hoort beweren dat de erkenning van het zelfbeschikkingsrecht steunt op een respect voor de waardigheid van de menselijke persoon. In hoeverre kan dat waar zijn? Bepaalt het vermogen van het individu om zelfstandig over zichzelf te heersen de menselijke waardigheid?

Op deze vragen worden in de samenleving uiteenlopende antwoorden gegeven. Laat ons daarom eerst enkele vaststellingen doen. Een onloochenbaar gegeven is alvast dat ik mezelf niet gemaakt heb, en ook niet zelf gekozen heb om gemaakt te worden. Ik ben in de wereld ‘geworpen’, zoals Heidegger het uitdrukt. Geworpen door wie, door wat? In elk geval niet door mezelf. Een tweede ontdekking is dat ik bemerk dat ik in dit bestaan anderen nodig heb, en dat anderen laten weten dat ze mij nodig hebben. Daarbij komt dat ik, wat ik in dit leven als geluk ervaar, of wat mij als bestaansreden duidelijk wordt, altijd met deze wederzijdse betrokkenheid te maken heeft. Het zijn anderen die mijn bestaan vervolledigen en er een betekenis aan geven. Hieruit kan alleen volgen dat anderen mij om dezelfde reden nodig hebben. De uitsluitende gerichtheid van het individu op zichzelf kan tijdelijk genot verschaffen, maar geen blijvende voldoening geven. Het is ondenkbaar dat de mens als eenling voldaan kan bestaan. Met zijn gevoelens en verlangens, met zijn hoop en verwachtingen, is elk individu met de anderen verbonden. In de anderen ligt de betekenis van zijn bestaan.

Hoe zou die band met de anderen irrelevant worden op de cruciale momenten van het leven, bij de conceptie, de geboorte en de dood? Indien op dat ogenblik het individu ontkoppeld wordt van de anderen doordat hij als enige de beslissingsbevoegdheid krijgt over zijn leven, wordt hij hierdoor niet als zelfstandig persoon erkend, maar wordt hem juist zijn betekenis als persoon afgenomen. Elk menselijk individu is wat hij is door wat hij voor de anderen betekent. Een maatschappij die duldt dat het ‘ik’ alleen beslist over zijn leven en dood is een maatschappij voor wie de menselijke persoon geen betekenis heeft.

Het kan niet verbazen dat uit een praktijk van radicale zelfbeschikking een levensgevoel opdoemt dat uiteindelijk gedomineerd wordt door een besef van zinloosheid. Waarom zou ik verder leven als ik lijd onder het leven en de samenleving het mij niet kwalijk neemt dat ik ervoor kies op te houden met leven? In ons land, dat in de wereld koploper is op het gebied van euthanasie, hebben suïcidaliteit en depressiviteit massale proporties aangenomen. Bij ontstellend veel mensen is de levenswil aangetast. De wil tot leven dooft uit als de zin van het leven verdwijnt. En de zin van het leven gaat verloren wanneer die gezocht wordt waar hij niet te vinden is: binnen het eigen, begrensde en geïsoleerde, behoeftige en vergankelijke, individuele bestaan.

Gerard Bodifee

 

Dit artikel verscheen in het weekblad Tertio van 10 februari 2016 (www.tertio.be)